Wanneer je – zoals mij overkwam – al jong bij voorbaat als theatrale aansteller wordt gezien, wordt elke klacht, elk probleem en elk symptoom van ziekte in dat licht beschouwd. Alles anders wordt dan een blinde vlek of tenminste dat was bij mij het geval. Het verkeerde narratief dat ik me zou aanstellen en ziekte en pijn zou veinzen om vooral van mijn ouders maar ook anderen aandacht te verkrijgen, werd leidend. En ik werd daarmee compleet onzichtbaar, verloor bestaansrecht en werd alle zorg en hulp ontzegd.
Dit vormt de rode lijn van vijfendertig jaar trauma. Maar die rode lijn gaat gepaard met allerlei acute trauma’s. Die trauma’s willen eruit. Dus heb ik besloten ze niet (meer alleen) zijdelings te benoemen maar de komende tijd een aantal te delen. En wie weet, wil iemand er iets van leren.
Mijn paard zat te dicht op zijn voorganger die merkbaar geërgerd reageerde. Dus wilde ik er achter vandaan, voordat de voorganger zou uithalen met zijn achterbenen. De instructrice zag het en snauwde me toe niet op eigen houtje te rijden maar te wachten tot zij zou zeggen dat ik erachter vandaan kon. Immers was zij de instructrice, niet ik. Ik hoefde niet lang te wachten. Het paard voor me bereikte zijn grens, bokte en sloeg met zijn benen naar achteren. Intens ongelukkig raakte hij niet mijn paard maar mij, zijn beslagen hoef vol op mijn knieschijf. Van de pijn vloekend en tierend als een volwassen bootwerker reed ik naar het midden waar de instructrice stond. In de verwachting dat ze de teugels zou overnemen zodat ik van het paard af kon en we de schade zouden kunnen inspecteren. Dat deed ze niet. Integendeel. Ze werd boos en verordonneerde me terug te keren naar mijn plek. Dus liet ik mezelf zakken van mijn paard, smeet de teugels in haar richting en hinkelde en strompelde zo goed en kwaad als het ging de bak uit. Ze riep me van alles na en het is heel wel mogelijk dat ik achterom heb geschreeuwd dat ze dood kon vallen of iets anders lelijks.
Toen ik de kantine in kwam, keken de weinige bezoekers een beetje weg. Behalve mijn ex. Hij stond zich te bescheuren en sprak de verwachting uit dat ik van de manege weg gestuurd zou worden omdat ik zo dom was geweest de instructrice uit te schelden. Ik had teveel pijn om kwaad op hem te worden vanwege zijn stompzinnige reactie en strompelde naar het toilet. Daar kon ik mijn broek uit trekken en mijn knie bekijken. De wond viel in grootte mee maar hij was erg diep, ik keek op het bot. Of beter gezegd in het bot. Met voorzichtig voelen dacht ik te merken dat er een stuk bot uit mijn knieschijf was gesplinterd. Maar goed, ik kon er een beetje op staan en bloedde niet dood. Dus probeerde ik de misselijkmakende golf van paniek in te dammen, maakte provisorisch met nat toiletpapier de wond schoon, hees mijn broek terug op en strompelde weer naar buiten om op een stoel te ploffen. Nog steeds keek niemand me aan en ik was op de fiets, ik had geen idee hoe ik thuis moest komen. Mijn ex was er nog, hij stond in de buurt de vloer te dweilen. Hij was met de auto wist ik. Dus zette ik mijn schroom maar opzij om te vragen of hij me asjeblieft even thuis wilde brengen. Hij vatte het op als een versierpoging om hem terug te krijgen maar stemde na een hoop gezucht, alsof hij iets verschrikkelijks moest doen, toch toe. Ik had de indruk dat hij onuitputtelijke dankbaarheid verwachtte voor het ritje van letterlijk vijf minuutjes.
Op mijn verzoek liep hij van de auto mee naar de voordeur. Daar stond ik dan. Ik moest zes trappen op naar de derde verdieping en kon amper op dat been staan, laat staan traplopen. Ik greep de leuning aan een kant en vroeg of hij me wilde ondersteunen aan de andere kant. Had ik wat begrip verwacht, kwam ik bedrogen uit. Hij uitte zijn gedachte dat ik me niet zo aan moest stellen en ik heus zelf de trap wel op kon lopen. Met twee handen me optrekkend aan de leuning en gebruik makend van mijn goed been, hees ik me stapje voor stapje naar boven. Het duurde voor mij een eeuwigheid en ik voelde me diep vernederd onder de toeziende blik van mijn ex die meende dat ik dom om aandacht liep te hengelen en dat reuze grappig leek te vinden.
Mijn ouders zaten op de bank, meteen al geërgerd dat mijn ex ineens in de huiskamer stond. Ik legde uit wat er was gebeurd, dat het nog steeds verrekte pijn deed en dat ik me zorgen maakte om mijn knie. Mijn ex vulde met gebaren en grapjes aan dat er volgens hem amper iets gebeurd was. Dat maakte mijn moeder zichtbaar pissig. Niet op hem maar op mij. Ze kon slecht tegen wat zij als aanstellerij zag. En snauwde “en nu wil je zeker ook nog naar de dokter ermee?”. Dat ik “ja” zou zeggen, had ze geloof ik niet zien aankomen. Gezien de preek dat ik toch niet voor zo’n wissewasje naar de huisarts hoefde en mezelf daar voor lul zou zetten. Ik voelde echter wel dat het echt niet goed zat en zei dat ik de huisarts zelf wel zou bellen voor een afspraak. Mijn ouders boden mijn ex excuses aan dat hij de dupe was van mijn aanstellerij en hij ging me enigszins uitlachend weg. Onder gemopper van mijn moeder wat voor stom rund ik was, ging ik maar naar bed.
De huisarts reageerde zoals ze altijd reageerde. Bezorgd om wat zij zag als mentaal onwelbevinden en hypochondrie. Ik negeerde het aanbod toch echt eens naar een psycholoog te gaan en moest praten als brugman voor ze een kijkje naar mijn knie nam. En het was eigenlijk dat ze niet kon negeren dat mijn knie drie maal zo dik was als hoorde plus roodheet aan voelde, dat ze me dan toch maar doorstuurde naar de fysiotherapeut verderop in hetzelfde pand. Een foto maken vond ze niet nodig, het was volgens haar ‘maar een klein plekje’ en ik ‘overdreef altijd zo’. Ik was wel gewend dat artsen op die manier naar mij keken en was allang opgelucht dat ik naar de fysiotherapeut mocht.
Gelukkig kende de fysiotherapeut mij en mijn dossier niet en bekeek ze mij met open blik. Ze liet meteen een röntgenfoto maken en kon daarop makkelijk constateren dat er een inderdaad een stukje bot uit mijn knieschijf was gesplinterd. Het gaatje precies in het midden was bijna door en er zaten bot fragmentjes verspreid door de knie. Ze kon niet zien of mijn meniscus nog in orde was. Volgens haar had ik enorm geluk gehad dat mijn knieschijf niet was verbrijzeld. De inschatting voor nu was dat ik niet geopereerd hoefde te worden maar het overmatige vocht in mijn knie moest er wel uitgehaald worden. Dat kon met een of ander apparaat wat met warmte/röntgen/weet ik het wat voor golven het vocht eruit kon ‘trillen’. Ze waarschuwde me dat ik deze behandeling veelvuldig moest laten herhalen en dat het lang, lang zou kunnen duren voor het vocht uit mijn knie zou blijven. Daar kreeg ze overigens gelijk in, ik heb er anderhalf jaar regelmatig met een boek in mijn handen en mijn knie tussen twee peddels gezeten. Verder mocht ik voorlopig niet rennen, fietsen, sporten, gymmen of andere drukke dingen doen en moest ik het been zo veel mogelijk rust geven.
Gedurende het onderzoek viel haar verder op dat mijn enkels en voeten extreem hypermobiel, doorgezakt en vergroeid waren en ik met geen mogelijkheid mijn bovenbeenspieren kon ontspannen. Ze maakte zich er wel zorgen over maar wist zo geen oorzaak. Ze overlegde met de huisarts om het er daarna met mij nooit meer over te hebben. Het zal net als de rest wel als aanstellerij de boeken in gegaan zijn. En wisten zij of ik veel dat het nog drieëntwintig jaar zou duren voor vast gesteld zou worden dat ik al mijn hele leven kampte met een progressieve, neurologische spierziekte.
Vrienden op school reageerden wel vrij normaal en het was al snel geen topic meer. Ik had in mijn vroege jeugd bovendien afgeleerd te praten over pijn of moeilijkheden, dus ik had het er vrij weinig over. De gymleraar reageerde ondanks de wond, de dikke knie en het briefje van mijn ouders niet zo best dat ik niet mee meedeed met de les. Tot drie weken later, toen hij tot mijn verbijstering kwam vertellen dat hij naar de manege was gegaan om mijn verhaal na te gaan en dat de eigenaar van de manege had bevestigd dat ik inderdaad geschopt was door een paard. En zo bewezen was dat ik het verhaal niet verzonnen had omdat ik geen zin had in gym. Opnieuw voelde ik me vernederd en onterecht beschuldigd, immers was hij achter mijn rug om gaan praten met mensen om te checken of ik niet loog tot ik blauw zag. Hij wilde daarna dat ik elke gymles braaf kwam kijken naar mijn klasgenoten maar dat kon hij wel vergeten.
Vanaf toen – ik was eind vijftien, begin zestien – heb ik nooit meer echt kunnen rennen, huppelen, springen of paard kunnen rijden. Nog iets wat menigeen niet vreemd leek te vinden of simpelweg niet geloofde. En ik maar leerde te accepteren.
Dat ik niet geloofd werd was ik wel gewend. Dat ik uitgelachen werd om een verwonding was nieuw. Toch was dat niet het pijnlijkste. In die tijd zat ik bij een manege voor gehandicapten waar ik gehandicapten hielp met paardrijden en gedurende hun lessen naast de paarden mee rende. In ruil daarvoor mochten we zelf tegen een gereduceerde prijs eenmaal per week een les rijden. Daar kwam door dit ongeval zeer plots een einde aan. En vanwege de ‘ruzie’ met de instructrice was ik niet meer welkom op de manege. Niet om te komen kijken, niet om afscheid te nemen van de gehandicapten waar ik al zo lang en heel leuk contact mee had gehad of de geliefde paarden waar ik op had gereden. En terwijl ik daarover diep in rouw zat, leek ook dat niemand wat te interesseren. Of nou ja, een groep interesseerde het wel. Ik hoorde later dat de gehandicapten niet hadden begrepen waarom ik ineens niet meer kwam en een zwaar geestelijke gehandicapte man heel erg boos op me was geweest dat ik ze in zijn ogen in de steek had gelaten. Mensen op de manege hadden blijkbaar niet eens de moeite genomen om uit te leggen waarom ik niet meer kon komen.
Nog wat later begreep ik dat de boze instructrice ten tijden van dit incident niet alleen de nieuwe vriendin van mijn ex was maar ze – misschien uit misplaatste jaloersheid ofzo – ook ontzettend de pest aan me had gehad. Het verklaarde veel maar maakte de plotselinge en drastische verandering in mijn leven eigenlijk nog pijnlijker.