Tag: Verdriet Page 1 of 4

Het paarden trauma

Wanneer je – zoals mij overkwam – al jong bij voorbaat als theatrale aansteller wordt gezien, wordt elke klacht, elk probleem en elk symptoom van ziekte in dat licht beschouwd. Alles anders wordt dan een blinde vlek of tenminste dat was bij mij het geval. Het verkeerde narratief dat ik me zou aanstellen en ziekte en pijn zou veinzen om vooral van mijn ouders maar ook anderen aandacht te verkrijgen, werd leidend. En ik werd daarmee compleet onzichtbaar, verloor bestaansrecht en werd alle zorg en hulp ontzegd.

Dit vormt de rode lijn van vijfendertig jaar trauma. Maar die rode lijn gaat gepaard met allerlei acute trauma’s. Die trauma’s willen eruit. Dus heb ik besloten ze niet (meer alleen) zijdelings te benoemen maar de komende tijd een aantal te delen. En wie weet, wil iemand er iets van leren.


Mijn paard zat te dicht op zijn voorganger die merkbaar geërgerd reageerde. Dus wilde ik er achter vandaan, voordat de voorganger zou uithalen met zijn achterbenen. De instructrice zag het en snauwde me toe niet op eigen houtje te rijden maar te wachten tot zij zou zeggen dat ik erachter vandaan kon. Immers was zij de instructrice, niet ik. Ik hoefde niet lang te wachten. Het paard voor me bereikte zijn grens, bokte en sloeg met zijn benen naar achteren. Intens ongelukkig raakte hij niet mijn paard maar mij, zijn beslagen hoef vol op mijn knieschijf. Van de pijn vloekend en tierend als een volwassen bootwerker reed ik naar het midden waar de instructrice stond. In de verwachting dat ze de teugels zou overnemen zodat ik van het paard af kon en we de schade zouden kunnen inspecteren. Dat deed ze niet. Integendeel. Ze werd boos en verordonneerde me terug te keren naar mijn plek. Dus liet ik mezelf zakken van mijn paard, smeet de teugels in haar richting en hinkelde en strompelde zo goed en kwaad als het ging de bak uit. Ze riep me van alles na en het is heel wel mogelijk dat ik achterom heb geschreeuwd dat ze dood kon vallen of iets anders lelijks.

Toen ik de kantine in kwam, keken de weinige bezoekers een beetje weg. Behalve mijn ex. Hij stond zich te bescheuren en sprak de verwachting uit dat ik van de manege weg gestuurd zou worden omdat ik zo dom was geweest de instructrice uit te schelden. Ik had teveel pijn om kwaad op hem te worden vanwege zijn stompzinnige reactie en strompelde naar het toilet. Daar kon ik mijn broek uit trekken en mijn knie bekijken. De wond viel in grootte mee maar hij was erg diep, ik keek op het bot. Of beter gezegd in het bot. Met voorzichtig voelen dacht ik te merken dat er een stuk bot uit mijn knieschijf was gesplinterd. Maar goed, ik kon er een beetje op staan en bloedde niet dood. Dus probeerde ik de misselijkmakende golf van paniek in te dammen, maakte provisorisch met nat toiletpapier de wond schoon, hees mijn broek terug op en strompelde weer naar buiten om op een stoel te ploffen. Nog steeds keek niemand me aan en ik was op de fiets, ik had geen idee hoe ik thuis moest komen. Mijn ex was er nog, hij stond in de buurt de vloer te dweilen. Hij was met de auto wist ik. Dus zette ik mijn schroom maar opzij om te vragen of hij me asjeblieft even thuis wilde brengen. Hij vatte het op als een versierpoging om hem terug te krijgen maar stemde na een hoop gezucht, alsof hij iets verschrikkelijks moest doen, toch toe. Ik had de indruk dat hij onuitputtelijke dankbaarheid verwachtte voor het ritje van letterlijk vijf minuutjes.

Op mijn verzoek liep hij van de auto mee naar de voordeur. Daar stond ik dan. Ik moest zes trappen op naar de derde verdieping en kon amper op dat been staan, laat staan traplopen. Ik greep de leuning aan een kant en vroeg of hij me wilde ondersteunen aan de andere kant. Had ik wat begrip verwacht, kwam ik bedrogen uit. Hij uitte zijn gedachte dat ik me niet zo aan moest stellen en ik heus zelf de trap wel op kon lopen. Met twee handen me optrekkend aan de leuning en gebruik makend van mijn goed been, hees ik me stapje voor stapje naar boven. Het duurde voor mij een eeuwigheid en ik voelde me diep vernederd onder de toeziende blik van mijn ex die meende dat ik dom om aandacht liep te hengelen en dat reuze grappig leek te vinden.

Mijn ouders zaten op de bank, meteen al geërgerd dat mijn ex ineens in de huiskamer stond. Ik legde uit wat er was gebeurd, dat het nog steeds verrekte pijn deed en dat ik me zorgen maakte om mijn knie. Mijn ex vulde met gebaren en grapjes aan dat er volgens hem amper iets gebeurd was. Dat maakte mijn moeder zichtbaar pissig. Niet op hem maar op mij. Ze kon slecht tegen wat zij als aanstellerij zag. En snauwde “en nu wil je zeker ook nog naar de dokter ermee?”. Dat ik “ja” zou zeggen, had ze geloof ik niet zien aankomen. Gezien de preek dat ik toch niet voor zo’n wissewasje naar de huisarts hoefde en mezelf daar voor lul zou zetten. Ik voelde echter wel dat het echt niet goed zat en zei dat ik de huisarts zelf wel zou bellen voor een afspraak. Mijn ouders boden mijn ex excuses aan dat hij de dupe was van mijn aanstellerij en hij ging me enigszins uitlachend weg. Onder gemopper van mijn moeder wat voor stom rund ik was, ging ik maar naar bed.

De huisarts reageerde zoals ze altijd reageerde. Bezorgd om wat zij zag als mentaal onwelbevinden en hypochondrie. Ik negeerde het aanbod toch echt eens naar een psycholoog te gaan en moest praten als brugman voor ze een kijkje naar mijn knie nam. En het was eigenlijk dat ze niet kon negeren dat mijn knie drie maal zo dik was als hoorde plus roodheet aan voelde, dat ze me dan toch maar doorstuurde naar de fysiotherapeut verderop in hetzelfde pand. Een foto maken vond ze niet nodig, het was volgens haar ‘maar een klein plekje’ en ik ‘overdreef altijd zo’. Ik was wel gewend dat artsen op die manier naar mij keken en was allang opgelucht dat ik naar de fysiotherapeut mocht.

Gelukkig kende de fysiotherapeut mij en mijn dossier niet en bekeek ze mij met open blik. Ze liet meteen een röntgenfoto maken en kon daarop makkelijk constateren dat er een inderdaad een stukje bot uit mijn knieschijf was gesplinterd. Het gaatje precies in het midden was bijna door en er zaten bot fragmentjes verspreid door de knie. Ze kon niet zien of mijn meniscus nog in orde was. Volgens haar had ik enorm geluk gehad dat mijn knieschijf niet was verbrijzeld. De inschatting voor nu was dat ik niet geopereerd hoefde te worden maar het overmatige vocht in mijn knie moest er wel uitgehaald worden. Dat kon met een of ander apparaat wat met warmte/röntgen/weet ik het wat voor golven het vocht eruit kon ‘trillen’. Ze waarschuwde me dat ik deze behandeling veelvuldig moest laten herhalen en dat het lang, lang zou kunnen duren voor het vocht uit mijn knie zou blijven. Daar kreeg ze overigens gelijk in, ik heb er anderhalf jaar regelmatig met een boek in mijn handen en mijn knie tussen twee peddels gezeten. Verder mocht ik voorlopig niet rennen, fietsen, sporten, gymmen of andere drukke dingen doen en moest ik het been zo veel mogelijk rust geven.

Gedurende het onderzoek viel haar verder op dat mijn enkels en voeten extreem hypermobiel, doorgezakt en vergroeid waren en ik met geen mogelijkheid mijn bovenbeenspieren kon ontspannen. Ze maakte zich er wel zorgen over maar wist zo geen oorzaak. Ze overlegde met de huisarts om het er daarna met mij nooit meer over te hebben. Het zal net als de rest wel als aanstellerij de boeken in gegaan zijn. En wisten zij of ik veel dat het nog drieëntwintig jaar zou duren voor vast gesteld zou worden dat ik al mijn hele leven kampte met een progressieve, neurologische spierziekte.

Vrienden op school reageerden wel vrij normaal en het was al snel geen topic meer. Ik had in mijn vroege jeugd bovendien afgeleerd te praten over pijn of moeilijkheden, dus ik had het er vrij weinig over. De gymleraar reageerde ondanks de wond, de dikke knie en het briefje van mijn ouders niet zo best dat ik niet mee meedeed met de les. Tot drie weken later, toen hij tot mijn verbijstering kwam vertellen dat hij naar de manege was gegaan om mijn verhaal na te gaan en dat de eigenaar van de manege had bevestigd dat ik inderdaad geschopt was door een paard. En zo bewezen was dat ik het verhaal niet verzonnen had omdat ik geen zin had in gym. Opnieuw voelde ik me vernederd en onterecht beschuldigd, immers was hij achter mijn rug om gaan praten met mensen om te checken of ik niet loog tot ik blauw zag. Hij wilde daarna dat ik elke gymles braaf kwam kijken naar mijn klasgenoten maar dat kon hij wel vergeten.

Vanaf toen – ik was eind vijftien, begin zestien – heb ik nooit meer echt kunnen rennen, huppelen, springen of paard kunnen rijden. Nog iets wat menigeen niet vreemd leek te vinden of simpelweg niet geloofde. En ik maar leerde te accepteren.

Dat ik niet geloofd werd was ik wel gewend. Dat ik uitgelachen werd om een verwonding was nieuw. Toch was dat niet het pijnlijkste. In die tijd zat ik bij een manege voor gehandicapten waar ik gehandicapten hielp met paardrijden en gedurende hun lessen naast de paarden mee rende. In ruil daarvoor mochten we zelf tegen een gereduceerde prijs eenmaal per week een les rijden. Daar kwam door dit ongeval zeer plots een einde aan. En vanwege de ‘ruzie’ met de instructrice was ik niet meer welkom op de manege. Niet om te komen kijken, niet om afscheid te nemen van de gehandicapten waar ik al zo lang en heel leuk contact mee had gehad of de geliefde paarden waar ik op had gereden. En terwijl ik daarover diep in rouw zat, leek ook dat niemand wat te interesseren. Of nou ja, een groep interesseerde het wel. Ik hoorde later dat de gehandicapten niet hadden begrepen waarom ik ineens niet meer kwam en een zwaar geestelijke gehandicapte man heel erg boos op me was geweest dat ik ze in zijn ogen in de steek had gelaten. Mensen op de manege hadden blijkbaar niet eens de moeite genomen om uit te leggen waarom ik niet meer kon komen.

Nog wat later begreep ik dat de boze instructrice ten tijden van dit incident niet alleen de nieuwe vriendin van mijn ex was maar ze – misschien uit misplaatste jaloersheid ofzo – ook ontzettend de pest aan me had gehad. Het verklaarde veel maar maakte de plotselinge en drastische verandering in mijn leven eigenlijk nog pijnlijker.

Comments (2)



Hoe mijn trauma begon

Wanneer je – zoals mij overkwam – al jong bij voorbaat als theatrale aansteller wordt gezien, wordt elke klacht, elk probleem en elk symptoom van ziekte in dat licht beschouwd. Alles anders wordt dan een blinde vlek of tenminste dat was bij mij het geval. Het verkeerde narratief dat ik me zou aanstellen en ziekte en pijn zou veinzen om vooral van mijn ouders maar ook anderen aandacht te verkrijgen, werd leidend. En ik werd daarmee compleet onzichtbaar, verloor bestaansrecht en werd alle zorg en hulp ontzegd.

Dit vormt de rode lijn van vijfendertig jaar trauma. Maar die rode lijn gaat gepaard met allerlei acute trauma’s. Die trauma’s willen eruit. Dus heb ik besloten ze niet (meer alleen) zijdelings te benoemen maar de komende tijd een aantal te delen. En wie weet, wil iemand er iets van leren.


Het zijn flarden en stukjes die ik me herinner. De momenten en beelden die diepe indruk op me hebben gemaakt. Niet zo gek, ik was pas vijf tenslotte. Zo herinner ik me dat mijn ouders op de bank gingen zitten en mij op de blauwe eettafel stoel van ‘oude oma’ (de moeder van mijn opa) tegenover hen hadden gezet. Mijn beentjes bungelend hoog van de vloer. Een setting die daarvoor en daarna nooit meer is voorgekomen. Samen met hoe serieus, bedrukt en verdrietig ze keken, benadrukte het hoe belangrijk het gesprek was. Ik weet nog dat ik een kei moeilijk woord leerde. Achillespezen. Iedereen had ze en die van mij waren veel te kort. Dat kwam omdat ik op mijn tenen liep of zo vertelden ze. Het hele gesprek is wat vaag verder. In elk geval deed ik blijkbaar een heleboel niet goed en zou ik een heleboel anders moeten gaan doen. Wat ik onthouden heb is dat ik er weinig van begreep. En de zin dat mijn leven vanaf morgen drastisch zou veranderen. Mijn ouders zagen eruit alsof ze elk moment konden gaan huilen. Daarna mocht ik gelukkig naar bed.

Misschien heb ik dit moment ook onthouden omdat mijn leven over nacht absoluut en extreem drastisch veranderde. Ineens mocht ik onderweg niet meer even rusten, op een stoepje zitten of tegen een dikke stenen vensterbank van een winkel leunen als ik pijn had en moe was. In de bus en de tram mocht ik niet meer op schoot en wanneer het heel rustig was mocht ik toch niet naast mijn moeder gaan zitten. Ik moest blijven staan ook al ging dat me heel moeilijk af. Rolde ik door de tram die op hoge snelheid een bocht nam, werd ik niet meer getroost maar werden mijn ouders boos dat ik me niet goed vastgehouden had en was blijven staan zoals ‘normale mensen doen’. Sowieso mocht ik niet meer huilen – want ‘janken helpt niets’- en werd ik nog maar zelden getroost, hoe vaak en hard ik ook viel.

In die tijd liep ik op de bal van mijn voeten, op mijn tenen en dat mocht niet meer. Ik moest net als iedereen eerst mijn hielen neerzetten. Dat was moeilijk, vanwege de te korte achillespezen kon ik nauwelijks eerst mijn hielen neerzetten en het was pijnlijk en vermoeiend om ‘normaal’ te lopen. De eerste tijd pakte mijn moeder regelmatig mijn enkel en voet vast om dwingend te laten zien hoe ik eerst mijn hiel neer moest zetten en dan moest afwikkelen. Het was naar. Haar greep deed pijn, het was niet dat ik niet wist wat ze van me wilden maar dat ik het niet kon, ik verloor vaak mijn evenwicht als ze dat deed en bovenal was ze altijd kwaad. Later ging het over op “hielen, hielen, HIELEN” naar me schreeuwen, iets wat ze tot ver in mijn pubertijd heeft volgehouden. En ik soms nog steeds in mijn hoofd hoor of van wakker schrik.

Er mocht nog meer niet meer. Omdat ik niet wist hoe ik moest lopen, keek ik altijd naar mijn voeten. Dat mocht niet meer, ik moest onder het lopen voor me uit kijken. Blijkbaar deden normale mensen dat ook. Ik deed echt heel erg mijn best erop maar het gevolg was dat ik tegen obstakels aan liep en voortdurend struikelde en soms viel. Net als alles anders leverde dat doorgaans boosheid op, al begreep ik niet goed wat ik fout deed. Nadat een vriend van mijn vader me had geleerd hoe ik tussen mijn wimpers door kon gluren zodat ik mensen kon bespieden – gewoon een kinderspelletje – leerde ik steeds beter naar mijn voeten te kijken zonder mijn hoofd erg te buigen, Dat hielp. Of misschien had mijn moeder het gewoon op een gegeven moment opgegeven, dat kan ook.

En dan waren er de oefeningen. Om mijn achillespezen op te rekken moest ik elke avond op de vloer gaan zitten met mijn benen gestrekt voor me. Dan moest ik naar voren buigen, met mijn handen de bal van mijn voeten vast pakken en daar zo hard als ik kon aan trekken. Dan weer even ontspannen en dan weer zo hard mogelijk trekken. De eerste maanden kon ik er niet bij met mijn handen en moest ik een handdoek om mijn voeten heen slaan, beide uiteinden van de handdoek vastpakken en zo de bal van mijn voeten naar me toe trekken. Dat moest een half uur lang en deed verschrikkelijk veel pijn. Probeerde ik een beetje te smokkelen, werd dat bijna altijd gezien door mijn moeder en werd ze razend. Smokkelde ik teveel of deed ik het niet goed genoeg naar haar zin, kwam er een kwartier langer oefenen bij. Ontzettend vaak stond ze woedend ergens van achter me tegen me te schreeuwen, schold me uit en waarschuwde ze me. “Je wil toch niet de gebochelde van de Notre Dame worden!!” Vaak werd benadrukt dat het mijn eigen schuld was. Had ik maar niet zo stom moeten lopen, dan had ik nu die oefeningen niet hoeven te doen. Om de zoveel tijd werd haar woede zo groot dat ze naar me toe kwam, voor me hurkte, haar handen tegen de bal van mijn voeten plaatste en zo hard duwde dat ze me over het tapijt door de kamer duwde en de schuurplekken op mijn benen kwamen. Gillen van pijn en paniek en huilen mocht niet. En uiteindelijk leerde ik dat ook wel af. Daarna deed ik avond in avond uit stil en boos kijkend die pijnlijke klote oefening. Wat bleef was ruzies omdat ik ook niet boos of nors mocht kijken.

Mijn vader was er meestal bij en het eerste jaar probeerde ik zijn aandacht te vangen om mijn moeder tegen te houden. Dat deed hij niet. Hij zat altijd op de bank, benen gestrekt vooruit, sigaret tussen zijn vingers, nors naar zijn wriemelende vingers te kijken terwijl hij deed alsof wij aan de andere kant van de kamer niet bestonden. Verder kreeg niemand mee dat ik die horror oefening moest doen. Kwam er visite, mocht ik ze een avond overslaan. Volgens mijn moeder opdat anderen niet zouden hoeven zien wat een dramatisch jankkind ik was. Ik was mijn moeder daar heel dankbaar voor en vertelde het uit schaamte wat voor stom, naar kind ik was, zelf ook aan niemand.

Ja u heeft gelijk. Deze oefening mag een persoon alleen wat rek voelen. Geen pijn, laat staan zoveel mogelijk pijn. Ik vermoed dat mijn moeder in al haar post traumatische stress heeft gedacht dat haar ‘manier’ sneller en beter resultaat zou geven. Die oefeningen heb ik tot mijn tiende/elfde moeten doen en een korte periode in mijn pubertijd. Het heeft een klein beetje geholpen en het zal raar klinken, tot mijn veertigste en ik de diagnose neuromusculaire ziekte en uitleg kreeg, ben ik mijn moeder dankbaar geweest dat ze me die oefeningen heeft laten doen. Sterker, in mijn volwassen leven heb ik in periodes de oefening vrijwillig mezelf aan gedaan. De neuroloog die de diagnose stelde, legde me uit dat die oefeningen niet ‘goed’ maar heel destructief zijn geweest. Ik heb jarenlang elke dag de haarscheurtjes in mijn spieren, kapsels en pezen getrokken. Het is de reden geweest dat ik in mijn jeugd zo vaak struikelde, door mijn enkels zakte en viel en het was een wonder dat ik überhaupt nog kon lopen. Hij benoemde het intense kindermishandeling.

Naast die oefening moest ik regelmatig voor mijn ouders rondlopen met een boek balancerend op mijn hoofd. Dat was goed voor mijn rug en om af te leren naar mijn voeten te kijken als ik liep. Hier was het vooral mijn vader die me aanmoedigde waarbij aanmoediging al snel overging in boosheid. Of nee, mijn vader werd nooit echt boos. Hij was ‘teleurgesteld’. Wat ik bijna nog erger vond. Dit heb ik gelukkig niet zo lang hoeven te doen, misschien een jaar of twee.

Van mijn vijfde tot mijn tiende moest ik ook eerst elke week en later om de zoveel weken naar Mensendieck (fysiotherapie voor het bewegingsapparaat). Daar moest ik zonder behulp van mijn handen op een omlaag gebracht klimrek lopen waar ik regelmatig pijnlijk tussen en op de spijlen viel. Op een bal leren lopen waar ik regelmatig van afviel. Oefeningen doen die ik niet kon. Bijna elke sessie werd afgesloten met een gesprekje, beide zittend op de vloer. Ik kreeg steevast vol misplaatst medeleven de uitleg dat ik het wel zou kunnen als ik zou willen maar dat ik niet wilde. En de vraag waarom ik niet wilde. Aanvankelijk verdedigde ik mezelf dat ik het echt niet kon. Na verloop van tijd bleef ik nors voor me uitkijken en zei niets meer.

Het heeft feitelijk allemaal niet erg veel geholpen of verbeterd. Logisch, ik had toen al afgestorven en kapotte zenuwbanen en spieren van de ziekte van Charcot Marie-Tooth type 2. Volgens de specialisten had ik begeleiding, hulp en een rolstoel voor lange afstanden nodig gehad, ben ik extreem mishandeld, is het ronduit verbijsterend dat geen arts de diagnose CMT of tenminste neuropathie (zenuwschade) heeft gesteld en heb ik geluk gehad dat ik ondanks alles nog zo lang goed heb kunnen lopen. Mijn ouders en de zorg destijds hebben wel de indruk gehad dat het geholpen had. Immers vertelde, klaagde en huilde ik niet meer. De tekenen van ziekte die bleven, werden vakkundig door iedereen genegeerd. Zo zag iedereen dat het goed was, terwijl ik heimelijk de vernieling in draaide.

Waarschijnlijk denkt u nu dat mijn ouders en met name mijn moeder monsters waren. Bedenk dan dat mijn moeder tot halverwege haar zwangerschap van mij dagelijks intens is mishandeld. Mijn ouders de eerste jaren van mijn leven het hoofd moesten bieden aan allerlei problemen. De term Post Traumatische Stress Stoornis (PTSS) nog niet bestond. Mijn moeder geen flauw benul had hoe een kind normaal opgroeit en opgevoed wordt. Ik op dezelfde leeftijd dezelfde verschijnselen, symptomen en problemen kreeg als het oudere broertje van mijn moeder. Zij extreem akelige dingen met hem heeft meegemaakt. En hij enkele jaren later er op afschuwelijke wijze aan dood gegaan is, mijn moeder was toen net zeven. Ik kon het haar niet meer vragen, mijn beide ouders waren dood toen de waarheid over mijn leven boven water kwam. Echter kende ik mijn moeder goed. En ik weet zeker dat zij met haar broertje in herinnering in complete paniek is geraakt toen ze zag dat ik dezelfde ontwikkeling doormaakte als haar broertje. Post traumatische stress paniek. Zij heeft in haar verknalde, verwrongen brein gedacht dat als het bij mij maar psychisch was, ze het er wel uit kon praten, duwen, trekken, schreeuwen en slaan. Daar heeft ze bevlogen en gepassioneerd haar stinkende best voor gedaan. Helaas.

Comments (2)



Het eeltpit trauma

Wanneer je – zoals mij overkwam – al jong bij voorbaat als theatrale aansteller wordt gezien, wordt elke klacht, elk probleem en elk symptoom van ziekte in dat licht beschouwd. Alles anders wordt dan een blinde vlek of tenminste dat was bij mij het geval. Het verkeerde narratief dat ik me zou aanstellen en ziekte en pijn zou veinzen om vooral van mijn ouders maar ook anderen aandacht te verkrijgen, werd leidend. En ik werd daarmee compleet onzichtbaar, verloor bestaansrecht en werd alle zorg en hulp ontzegd.

Dit vormt de rode lijn van vijfendertig jaar trauma. Maar die rode lijn gaat gepaard met allerlei acute trauma’s. Die trauma’s willen eruit. Dus heb ik besloten ze niet (meer alleen) zijdelings te benoemen maar de komende tijd een aantal te delen. En wie weet, wil een zorgverlener er iets van leren.


Hij had gezegd dat ik alleen een beetje kou zou voelen, de huisarts die mijn voetje probeerde te verdoven door er ‘ijs’ op te sprayen. Alleen het voelde niet een beetje koud. Het voelde alsof er meerdere brandende poken in mijn voet gestampt werden, Ik was zeven en niet bepaald kleinzerig maar nu gilde, schreeuwde, krijste en huilde ik zo hard dat het ver buiten de spreekkamer te horen zal zijn geweest.

Dat had niet het effect dat je zou verwachten. De huisarts werd boos dat ik me ‘zo aanstelde’ en wilde mijn voetje pakken om de eeltpit uit mijn voetzooltje te snijden. Ik kroop hard huilend zo ver mogelijk weg in de grote stoel. Waarop de oude man mijn moeder zuchtend vroeg me op schoot te nemen. Mijn moeder – nog veel bozer dan de huisarts al was – ging op de stoel zitten, rukte me op schoot en nam me in een houtgreep. De huisarts greep mijn schoppende voetje stevig vast en begon in mijn voetzooltje te snijden. Dat deed door de pijn heen nog meer pijn en ik krijste over de toppen van mijn longen.

Toen het klaar was werd er lomp wat bloed weggeveegd, prikkend en brannend spul opgespoten, ruw een grote pleister opgeplakt en worstelde mijn moeder rood van woede mijn sokje en schoentje terug aan. Ik kreeg nog na snikkend de opdracht vol gewicht op de voet te zetten. En er volgde ‘straf’. Op het bureau stond een grote glazen pot met lolly’s, kinderen kregen na een consult altijd een lolly mee. De huisarts keek naar me en zei ‘lolly’s zijn voor brave kinderen, niet voor huilende baby’s. Jij bent een huilende baby dus je krijgt geen lolly’. Mijn moeder nam zich verontschuldigend voor mijn gedrag afscheid, greep mijn hand en rukte me mee naar buiten. De gehele lange weg naar huis beet ze me in alle talen toe wat een rot kind ik was. Ik moest snel mee draven op de pijnlijke voet, mijn moeders fiets was een dag eerder weer eens gejat.

Ik herinner me nog dat mijn vader de wond er niet fraai uit vond zien en het ook raar vond dat het moeizaam heelde en ik er weken lang last van bleef houden. Toch mocht ik niet klagen, niet mank lopen en uiteindelijk na een week of zes was het geheeld en verdween de pijn. De fysieke pijn dan. De mentale pijn en schaamte dat ik een ontzettend stom kind was, bleven. Mijn moeder herinnerde me er om de zoveel tijd ook lachend en grappend aan. Wist ik nog hoe ik me had aangesteld?

Toen ik jong volwassen was, keerde de eeltpit terug. Ik durfde er niet meer mee naar de arts en vertelde het niemand. Stiekem heb ik hem een aantal keren met een nagelschaartje er uit zitten knippen en pulken. Gelukkig is het nooit ontstoken geraakt en uiteindelijk verdween de eeltpit weer.

Drieëndertig jaar later na de diagnose dat ik mijn hele leven al kapotte zenuwbanen in onder andere mijn voeten had vanwege een progressieve neuromusculaire ziekte, kwam dit incident te sprake bij mijn revalidatiearts. Hij legde me uit dat zo’n droog ijs verdoving voor gemiddeld mensen alleen wat koud voelt maar bij beschadigde zenuwbanen ontzettend veel pijn geeft. En niet onbelangrijk, geen verdovend effect heeft. Ik was dus eerst gemarteld met de spray en daarna had de huisarts met grof geweld in mijn niet verdoofde voetzooltje lopen snijden. Wel eens op een legoblokje gestapt? Dit was pijnlijker, duurde langer, werd met geweld afgedwongen en ging gepaard met verbale mishandeling. En nogmaals, ik was pas zeven jaar. Geen wonder dat ik zo hard had zitten gillen.

Nu ben ik drieënvijftig en hoewel ik rationeel weet dat je een kind van zeven dit niet aan doet, moet ik nog steeds het gevoel onderdrukken dat ik met zeven jaar oud genoeg was om de pijn geruisloos te ondergaan. Dat niet mijn arts en mijn moeder maar ik iets verkeerd heb gedaan. Dat ik de theatrale aansteller en dat ontzettende strontkind was waar ik voor uitgemaakt werd.


Comments (0)



Een leven lang diagnose gemist, een deel twee

Voor de mensen die me niet kennen, een zo kort mogelijke introductie: Met negenendertig werd ontdekt dat ziekte van Charcot Marie-Tooth (CMT) mijn hele leven niet gezien is en een vitamine B12 deficiëntie zeventien jaar niet is gezien plus drie jaar verkeerd is behandeld. Volgens de artsen omdat “u nooit geloofd bent met uw gezondheidsklachten”.

Voor mensen met een post traumatische stress stoornis, het volgende verhaal kan mogelijk een trigger vormen.

Het heeft me twintig jaar van mijn volwassen leven gekost. Ik heb afscheid moeten nemen van bijna al mij plannen, dromen, ambities en capaciteiten. Wat mij overkomen is, heeft me fysiek maar ook emotioneel intens beschadigt. Volgens mijn artsen mocht ik blij zijn dat ik het nog kon na vertellen. Dat ik ‘gewoon’ nooit geloofd was met verstrekkende klachten, schade, complicaties en met het oog zichtbare vergroeiingen aan mijn voeten, voelde in geen enkel opzicht als goede verklaring voor wat mij is overkomen en aangedaan. Ik ben dus gaan graven en met behulp van registraties, zorgverleners, familie en bekenden van vroeger is er meer boven tafel gekomen. Hier deel 2 van ‘Een leven lang diagnose gemist‘.

Vrij waarschijnlijk is het niet zoals ik tot enkele jaren terug dacht, begonnen met de zorg maar per ongeluk gestart bij mijn moeder. Dat is niet uit te leggen zonder iets van haar achtergrond te geven. Mijn moeder is haar gehele jeugd tot halverwege haar zwangerschap van mij op dagelijkse basis emotioneel en fysiek mishandeld. Daarnaast speelde er een specifiek en intens trauma rond haar broertje. Toen zij vier, vijf jaar jong was, ging hij raar en soms griezelig gedrag vertonen wat steeds verder escaleerde en voor gevaarlijke situaties zorgde. Uiteindelijk bleek hij een onbekende hersenziekte te hebben waardoor zijn hersenen uitdroogden/verschrompelden. Artsen konden niets voor hem doen. Toen zij pas zeven was ging hij dood, zijn hersenen niet veel groter dan een erwt. Was zijn dood en wat zij met hem had meegemaakt al traumatisch te noemen, kreeg mijn moeder vanuit thuis het grootste schuldgevoel mee wat een kind mee kan krijgen. Jarenlang werd haar regelmatig toe gesist dat zij dood had moeten gaan en niet haar lieve broertje. Het zal niemand verwonderen dat mijn moeder enorm beschadigd door haar verdere leven heeft moeten gaan.

Mijn moeder wilde niets liever dat ik gelukkig en gezond zou opgroeien. Nu wil elke moeder dat maar mijn moeder ontwikkelde vanuit haar achtergrond een nogal aparte obsessie. In plaats van supergezond te gaan eten en leven of iets dergelijks, besloot mijn moeder kort gezegd dat ik gewoon niet ziek kon en mocht zijn of worden. Ze kon er niet tegen, ze was er niet tegen bestand en had zeer de neiging ziekte niet te accepteren maar tot psychisch probleem te maken. Een beetje onder de redenering dat een psychisch probleem met wilskracht en verandering is op te lossen en enge ziekten niet.

Zij heeft mij met mijn vijfde mee genomen naar de huisarts en vervolgens het ziekenhuis, mijn vader was daar – waarschijnlijk vanwege zijn werk – niet bij. Ik weet niet wat daar is besproken, een kind van vijf werd rond 1977 niet bijster veel verteld. De conclusie zoals door de zorg gegeven en de directe gevolgen daarvan zijn mij des te meer bekend. Het kwam er op neer dat ik niet ziek zou zijn en dus geen pijn of andere klachten zou kunnen hebben. Alles – van het klagen en huilen van pijn tot aan problemen met grove en fijne motoriek en moeite met normaal lopen – moest gezien worden als verkeerd denken en verkeerd gedrag om de aandacht van volwassenen in mijn leven te verkrijgen. Oftewel alle fysieke problemen die ik vertoonde en extreem te korte achillespezen, holvoeten, doorgebogen voeten en vergroeiing van mijn tenen zou ik volgens de zorg voor mijn vijfde levensjaar al zelf veroorzaakt hebben met verkeerd gedrag, een te grote fantasie en een bak aanstellerij.

Nu hebben artsen neem ik aan geen enkele reden om een kind van vijf zomaar niet te geloven. Mijn moeder zal erg overtuigend geweest zijn in haar obsessieve hang dat ik beslist niet ziek mocht of kon zijn maar er iets psychisch aan de hand was. Iets wat ze met een strikte opvoeding en met harde hand bijsturen er wel weer uit zou krijgen. En voor aanstelleritus is geen medisch onderzoek nodig. Dat kwam er vanuit de zorg dan ook niet waardoor de diagnose CMT inclusief beschadigde zenuwbanen en spieren als niet bestaand onder het vloerkleed bleef liggen.

Vervolgens werd het een grote self fulfilling prophecy. Er kwamen strikte instructies waarvan ik nooit zal weten in hoeverre ze werkelijk vanuit de zorg kwamen (zoals mijn moeder vertelde) en in hoeverre mijn moeder er elementen aan toegevoegd heeft. In elk geval mocht ik niet meer rusten, pauzeren of even zitten maar moest ik blijven staan, blijven lopen en meer bewegen dan ik al deed. Daarnaast werd klagen of huilen over pijn, vermoeidheid of raar gevoel in mijn voeten en benen genegeerd (beter gezegd werd ik dan genegeerd alsof ik niet bestond) of op een andere manier bestraft. Vele uren heb ik na een schreeuwpartij in mijn kamertje moeten overdenken waarom ik toch zo loog over pijn en klachten of daarmee leuke uitjes had verstierd voor mijn ouders en mijzelf. Verder werd ik voortdurend bijgestuurd op mijn houding, mijn lopen en wat ik ‘stom’ deed zoals struikelen, vallen, niet kunnen fietsen, tegen objecten aanlopen, door mijn enkels zwikken en alles wat feitelijk bij de CMT hoorde en ik niets aan kon doen. Om mij nog wat meer op het rechte pad te krijgen, werd ik twee en half jaar elke week naar Mensendieck gebracht. Daar moest ik oefeningen doen die ik niet kon en liep gefrustreerd en ongelukkig steeds weer een hoop blauwe plekken op. Elke afspraak eindigde met een kort gesprekje wat altijd op hetzelfde neer kwam. Een mevrouw vertelde me dat ik het heus wel zou kunnen maar blijkbaar niet wilde en vroeg waarom ik het toch maar niet wilde. Ik had geen ander antwoord voor haar dan dat ik het echt niet kon. Na verloop van tijd gaf ik maar geen antwoord meer.

En dan waren er de dagelijkse oefeningen thuis. Om mijn achillespezen op te rekken moest ik met mijn benen gestrekt voor me uit op de grond gaan zitten, met mijn handen de bal van mijn voeten vastpakken en deze dan zo hard als ik maar kon door de pijn heen naar me toe trekken. De meer pijn  dat deed, de beter het volgens mijn moeder was. In principe moest dit een half uur elke dag maar zag mijn moeder dat ik probeerde te ‘smokkelen’, duurde het langer voor ik er vanaf was. Pas een klein jaar terug ben ik er van doordrongen geraakt dat de extreme wijze waarop ik deze oefening moest doen, nooit op die manier opgedragen zal zijn door artsen. Bij dat soort oefeningen mag je rek voelen, geen pijn en al helemaal geen extreme pijn. De neuroloog legde in 2012 uit dat ik die twee en half jaar in mijn jeugd elke dag de haarscheuren in mijn pezen, spieren en kapsels heb getrokken en daarmee mijn enkels heb verzwakt en de progressie van de ziekte wat versneld zal hebben. Er op terug kijkend denk ik dat mijn moeder heeft gedacht en gehoopt dat als met rek een beetje resultaat te behalen zou zijn, uit alle macht door de pijn heen oprekken een heleboel resultaat zou opleveren.

Een self fulfilling prophecy zei ik al. Want al minderde het geen van mijn gezondheidsklachten, hielp het oppervlakkig gezien als een tierelier. Met mijn achillespezen kwam het beslist niet in orde maar ze rekten inderdaad zover op dat ik enigszins mijn hielen neer kon zetten in plaats van alleen op de bal van mijn voet te kunnen lopen. Zonder operatie en spalken een opzienbarend resultaat. Verder raakte ik jong als ik was nogal in de war. Ik leerde af pijn, vermoeidheid of klachten te herkennen als teken van mijn lichaam dat er iets mis was. En geloofde deels ook de volwassenen dat alle klachten solo vrucht van mijn absurde fantasie zouden zijn. Wel bleef ik allerlei nog als naar en moeilijk ervaren maar na ruzies en vele keren genegeerd en bestraft worden, keek ik wel linker uit er nog over te vertellen. Mijn moeder heeft de ‘resultaten’ tot zeker mijn vijfentwintigste gezien als bevestiging dat ik inderdaad een raar kind en beslist niet ziek was geweest. De zorg zag het op haar beurt als bevestiging dat mijn moeder gelijk had gehad en zij zelf dus ook.

Zo ontstond een compleet verkeerd doch sterk beeld van mij, mijn persoonlijkheid en mijn gezondheidstoestand. Een beeld wat bovendien een geheel eigen leven ging leiden. Elke volgende arts nam het verkeerde oordeel van de vorige arts uit mijn medisch dossier over. En wat er ook gebeurde, werd in het licht van het eerste oordeel geïnterpreteerd. Pijn die ik bij ingrepen ervoer omdat mijn zenuwbanen en spieren kapot waren, werd zonder meer gezien als aanstellerij en overdreven gedoe waar geen aandacht aan besteed hoefde te worden. Viel of struikelde ik omdat het nu eenmaal niet makkelijk lopen is met schade en vergroeiingen, dan werd dat beschouwd als een manier van aandacht vragen en nonchalant of onhandig zijn. Uiteindelijk ging niet alleen de zorg dat doen, vrijwel iedereen in mijn omgeving ging er in mee. Blijkbaar is het makkelijker om iemand uit te lachen om vermeend aanstellerij en er van weg te lopen dan zorgen te maken dat er iets grondig mis is en daar aandacht aan schenken. Zelfs toen ik op mijn vijftiende vol op mijn knieschijf was geschopt door een paard, er een flink stukje bot uit mijn knieschijf was gesplinterd en ik geluk had gehad dat het niet was verbrijzeld, meende bijna iedereen in mijn omgeving dat ik me wel erg liep aan te stellen. Iedereen behalve de fysiotherapeut waar ik nog drie jaar lang regelmatig heen moest om een megahoeveelheid vocht uit mijn knie te laten halen.

Tegen de tijd dat ik volwassen was en op mijn negentiende ziek werd van wat achteraf gezien een ernstig vitamine B12 tekort was, bestond mijn dossier dus al uit een stapeling van foutieve etiketjes, onjuiste (voor)oordelen en en een compleet verkeerde beeldvorming. Dat wist ik toen nog niet maar het was tot in extreme merkbaar. Achteraf gezien kwam confirmation bias, in het Nederlands ‘voorkeur voor bevestiging’ genoemd, toen pas echt vol om de hoek kijken. (Confirmation bias is de neiging bij mensen om teveel waarde toe te kennen aan informatie die het eigen beeld bevestigd en informatie die dit beeld kan tegen spreken, te negeren.) Dat strekte nog verder dan in mijn jeugd het geval was geweest. Elke mogelijke psychische verklaring werd als waarheid vastgeklampt en aan toegevoegd. Wat ooit begonnen was als aanstellerij, overdrijving en kinderlijk aandacht vragen breidde zich gestaag uit naar de suggestie dat ik hypochondrisch zou zijn, mezelf ziek zou denken, uit luiheid en gemakzucht niets zou doen om beter te worden, irreële gedachten zou hebben met betrekking tot mijn gezondheid en zelfs zou neigen naar munchausen: de zelf ziek maken voor aandacht of zogenoemde ‘ziektewinst’. Alles anders waarmee zichtbaar werd dat er iets ernstig mis was en wat het bestaande denkbeeld had kunnen ontkrachten, werd terzijde gelegd. Oordelen van psychiaters, psychologen, maatschappelijk werkers en psychiatrisch verpleegkundigen dat er geen psychische gronden gevonden konden worden om fysieke klachten te verklaren, belanden stuk voor stuk in de prullenbak. Afwijkende onderzoeksresultaten die geen oorzaak gaven voor klachten maar mijn klachten wel objectiveerden werden met bijgekrabbelde woorden als ‘onzin’ of ‘niet zinnig’ in mijn dossier geschoven om niets mee te doen. Papieren van enkele specialisten die wél zagen dat er iets verschrikkelijk mis moest zijn en me verder onderzocht wilden hebben, verdwenen in dezelfde categorie.

Dit is de verklaring waar ik het mee mag doen. Hoe het kon dat ik tot en met mijn negenendertigste voortdurend en verstrekkend verteld kreeg dat ik me aanstelde, meer moest bewegen, mezelf een schop onder mijn kont moest geven en geen recht had op ook maar een flintertje zorg, hulp of hulpmiddelen. Om op mijn veertigste te vernemen dat ik toch echt al mijn hele leven chronisch ziek was, inmiddels gehandicapt was geworden, er niets meer aan te doen was, ik destructief teveel bewoog, me moest aanpassen aan mijn ziekte en alles af moest leren wat ik in mijn leven voorgeschreven had gekregen, hulp moest vragen en accepteren, gebruik moest maken van hulpmiddelen en daarbij meer zorg naar me toe gegooid kreeg dan ik zo plotseling aan kon. Een mens kan van minder gek worden, vrees ik.

Van mijn moeder ervaar ik het alleen als extreem verdrietig. Een dramatisch voorbeeld hoe goede intenties absurd verkeerd uit kunnen pakken. In haar gevoel van nood werkelijk alles te doen om mij gezond te maken en te houden, heeft zij onbewust juist aan de basis gestaan van een leven lang trauma waardoor ik bovendien veel zieker en meer gehandicapt ben geraakt dan nodig was. En waar zij niets liever wilde dan dat ik gelukkig zou worden, is mijn leven mede door toedoen van mijn ouders tot voor kort een nachtmerrie geweest. Ik heb het er nooit met mijn ouders over kunnen hebben, zij waren beiden overleden toen ik de diagnoses kreeg en leerde wat er al die tijd aan de hand is geweest. Misschien is het maar goed dat ze het niet hebben geweten. Ze waren er waarschijnlijk kapot aan gegaan.

Wat betreft artsen blijf ik erover in de knoop zitten. Het is een verklaring maar het voelt absoluut niet verklarend. Er was zoveel zichtbaar en aantoonbaar mis, voor iedereen om makkelijk te zien. Ik kan me er maar niet bij neerleggen dat wat neerkomt op dom vooroordeel en beperkt denken mij elk bestaansrecht heeft ontnomen en mijn leven intens heeft verziekt.

Eigenlijk kan ik nog steeds niet geloven dat dit geheel ‘per ongeluk’ heeft kunnen gebeuren.

Comments (3)



Dit (trauma) wil ik achterlaten

De mensen die bekend zijn met mij of dit weblog, weten dat ik na langdurig trauma een complexe post traumatische stress stoornis heb opgelopen. Inmiddels ben ik na ruim drie jaar gestopt met de psychische hulpverlening. Ik wil nog een keer van me afschrijven erover, hopende dat ik dit ‘traject’ ver achter me kan gaan laten.

Het was al heel vervelend dat de eerste praktijk mij wegens gebrek aan capaciteit en deskundigheid geen hulp kon bieden. Nog vervelender was het dat in de tweede en voorlaatste praktijk de langdurige zorg, dus mijn psycholoog en daarmee ondergetekende na vier maanden in therapie zonder pardon werden wegbezuinigd door de directie. Waardoor ik geen andere keus had over te gaan naar weer een andere praktijk. Het toppunt van vervelend is dat ik bij deze praktijk een psycholoog en tevens hoofdbehandelaar heb getroffen die het besluit nam mijn meest langdurige en intense trauma niet te geloven. Ik gebruik het woord ‘besluit’ bewust. De eerste korte intake vond plaats bij een psycholoog waar het goed mee klikte. De hoofdbehandelaar in kwestie kreeg mijn dossier zo voor het eerst te zien in de teambespreking die op een intake volgt. Gedurende deze bespreking, dus voordat hij mij zelf had gezien of gesproken, legde hij een uitgebreide verwijsbrief van de voorlaatste praktijk, intakegegevens, het oordeel van drie psychologen uit twee praktijken, het verhaal van mijn man en bovenal mijn vertellen terzijde om mijn realiteit te herconstrueren tot iets wat hij zelf fascinerend vond. Oftewel, er zat nogal wat moeite in om mijn verhaal niet te willen geloven. Mijn latere aanbod deze (hoofd)behandelaar in contact te brengen met mijn revalidatiearts en mijn medische gegevens vrij te geven – mijn trauma is ontstaan door toedoen van de zorg, via mijn medisch dossier nogal makkelijk na te gaan en bekend bij elke arts en specialist – sloeg hij af. Hij vond het niet nodig. Tsja, als je graag vast houdt aan je eigen fantasie, zal bewijs dat je verkeerd zit inderdaad niet nodig zijn? En eerlijk gezegd was het natuurlijk al meer dan sneu dat mijn trauma blijkbaar een kwestie van al dan niet geloven was verworden en ik me gedwongen zag te bewijzen dat traumatische gebeurtenissen werkelijk hebben plaats gevonden.

Bovenstaande is een summiere samenvatting van een probleem wat drie jaar lang steeds weer terug kwam om stevig dwars te liggen. Bij aanvang was de hoofdbehandelaar gefascineerd door mijn dossier – of achteraf beter gezegd, zijn eigen verzinsel – en meende bovendien dat hij binnen de praktijk de beste hulpverlener was voor complexe problematiek zoals ook het mijne. Hij haalde mij daarom weg bij de psycholoog waarmee ik de intake had gevolgd om zelf met me aan de slag te gaan. Na enige tijd bleek dat hij iemand is die voortdurend zogenoemd geruststellend ja zegt maar nee doet. Elke confrontatie over het feit dat hij mijn trauma niet serieus nam, volgden zijn excuses en de verzekering dat hij nu echt, heus mijn trauma in zag of in elk geval vanaf nú toch echt, heus mijn trauma in zag. Mijn man die bij de eerste gesprekken met me mee gegaan was, geloofde hem de eerste keer al niet. Ik zat in een cirsis situatie, heb blijkbaar een slechtere mensenkennis dan altijd gedacht in combinatie met een naïef hoopvolle blik. Getuige althans het aantal confrontaties die ik ben aangegaan voor het vertrouwen zo ver weg was, dat ik om een andere psycholoog durfde te verzoeken. We waren op dat moment al een krap jaar verder en ik was eerlijk gezegd behoorlijk gehertraumatiseerd en uitgeput door al die confrontaties.

Enfin, ik kon binnen de praktijk over naar de psycholoog die mij het eerst had gezien en niet overtuigd hoefde te worden van de waarheid van mijn woorden. Zij was getuige geweest in de absurde wending die de hoofdbehandelaar aan mijn verhaal had gegeven en sloeg niet zoveel acht op hem of zijn zogenoemde ‘visie’. Met haar ben ik op enkele vlakken gelukkig wel verder gekomen. Probleem opgelost zou je denken en dat dacht ik ook. Tot een ongelukkige samenloop van omstandigheden er voor zorgde dat op het moment dat we aan mijn trauma in de zorg zouden gaan werken, zij een andere baan bij een andere werkgever vond. En tot mijn schrik en verdriet mededeelde binnen drie weken te vertrekken. Ze adviseerde niet terug te gaan naar de hoofdbehandelaar en heeft geprobeerd me intern zonder al teveel overdracht naar een andere psycholoog bij de praktijk te krijgen.

Dat verliep aanvankelijk zonder moeilijkheden. Het leek wel te klikken met de nieuwe psycholoog en hij nam – heel normaal dus eigenlijk – mijn verhaal voor waar aan. Dat ging echter slechts twee gesprekken goed. Opnieuw werd ik besproken in de teambespreking waarbij de hoofdbehandelaar blijkbaar besloot zich vol terug met mijn behandeling te bemoeien. Voor ik het wist waren de beschrijving van mijn trauma en de diagnoses die ermee te maken hebben, geschrapt uit mijn behandelplan wat verder bol stond van meer onjuistheden en onwaarheden. De gesprekken liepen vanaf dat moment eveneens op niets uit. In plaats van werken aan mezelf, ontstond er enkel nog spraakverwarring en misverstanden over zaken die alleen in het hoofd van de hoofdbehandelaar bestaan. Om uit deze voor mij nogal hopeloze en nare situatie te geraken, heb ik betreffende psycholoog gevraagd of hij – net als zijn voorganger – afstand kon en wilde nemen van de hoofdbehandelaar en zich kon richten op wat ik heb mee gemaakt, mijn problemen en wat ik hem vertelde. Helaas, de hoofdbehandelaar is tevens oprichter van de praktijk en deze psycholoog meende de visie van zijn werkgever niet maar terzijde te kunnen leggen.

Deze keer zag ik wel meteen in dat ik hierdoor hooguit verder de vernieling in geholpen zou worden. Het was tijd dat ik voor mezelf zou kiezen en dus heb ik de behandeling direct gestopt. Vooralsnog heb ik geen alternatief meer over om hulp te vragen. Maar eerlijk gezegd durf en wil ik ook niet meer de hulpverlening in. Onder het mom dat ik vast zou overdrijven, me aan zou stellen, lui zou zijn, mezelf ziek zou denken en zou neigen naar Munchausen (de zelf ziek maken om aandacht te verkrijgen) heeft de huisartsen- en ziekenhuiszorg me van mijn vijfde tot mijn veertigste weggestuurd met wat een progressieve, neurologische spierziekte, forse schade aan mijn zenuwbanen en enkele ernstige aandoeningen meer bleek te zijn. Mijn leven is er bijna elk vlak aangegaan, ik heb er flinke fysieke en emotionele schade aan over gehouden en volgens de zorg mag ik blij zijn dat ik het überhaupt heb overleefd al die jaren. Het is iets wat ik nooit meer mee wil maken. En zeker niet dunnetjes over ga doen in de geestelijke gezondheidszorg vanwege een nitwit die op gebakken lucht besluit dat dit me niet overkomen zou zijn.

Jammer, ik vrees dat dit me nog wel even van de straat zal houden. Hoewel we alweer drie weken verder zijn, houdt het me nog elke dag bezig. Ik ervaar een mengeling van verdriet, verwardheid, spanning en woede omdat ik me opnieuw machteloos gemaakt voel door iemand die geacht wordt hulp en zorg te verlenen. Toch. Ik heb veel erger doorstaan. Het gaat gelukkig over het geheel wel beter met me dan drie jaar geleden. En mijn brein heeft langs de weg geleerd te verwerken, dit zal ik dus ook kunnen verwerken. Daarna zal ik mijn weg wel vinden, ben ik van overtuigd. Laat ik het goede meenemen en de shitzooi van dit traject achter me laten.

Comments (8)



Denken aan mijn vader

Voor mensen met een post traumatische stress stoornis, dit verhaal kan een trigger vormen.

Je zou willen dat ik ruim verder gegaan was met mijn leven en de mooie herinneringen waren overgebleven. Dat ik aan de leuke dingen zou denken op je sterfdag. Ik zou je missen wist je wel maar in je verdriet en trauma om mam, dacht je op een betere manier van me weg te gaan dan zij kon. Bij jou zou ik niet de spreekwoordelijke stekker eruit hoeven trekken. Jij zou niet sterven in mijn armen, dat wilde je mij, ons niet nog eens door laten maken.

Een jaar eerder had je me over de methode verteld. Vol vuur en enthousiasme. Je vond het bijzonder en fascinerend, zoals mensen zijn als ze iets fantastisch gaan doen. Het zou snel zijn en voor jou belangrijk, indien goed uitgevoerd zou er geen ‘redden’ meer aan zijn. Voor jou zou het ook zacht zijn. Een korte fijne roes om in weg te glijden. Wat je ook belangrijk vond was om zo min mogelijk mensen een trauma te bezorgen. Voor de trein of van een gebouw springen was uitgesloten, daar zou je teveel vreemden mee treffen en dat wilde je niet. Mij liepen de rillingen over mijn rug. Het is de enige keer geweest dat ik schor van stress je toefluisterde dat je ons dat toch niet aan zou doen. Mijn hoofd zo vol met kortsluiting dat ik niet merkte dat je met de woorden “Och kleintje, het is nu toch nog niet aan de orde” geen antwoord gaf.

Deze dag acht jaar geleden heb je rustig, beheerst je polsen en hals doorgesneden waardoor jouw leven de woonkamer in stroomde. Het was niet gewelddadig, je deed het niet in een vlaag van waanzin, je bent zelfs geen millimeter gaan verzitten. De assistent officier van justitie die ik maanden later sprak, vertelde hoe sereen de sfeer in huis was en hoe vredig jij had geoogd.

Het is niet je bedoeling geweest maar door jouw keuze voor deze dood, heb je meer mensen getraumatiseerd dan bij elke andere methode het geval was geweest. Omdat mensen dit niet doen. Omdat mensen dit niet zo gerust en sereen doen. Hulpdiensten en betrokken organisaties hebben daarbij hun slechtste kant getoond en de gevolgen waren voor ons, voor mij. We werden vergeten. Slachtofferhulp en elke andere hulp werd ons geweigerd. Van mensen in shock kreeg ik details die geen nabestaande zou hoeven te horen. Er werden grove fouten gemaakt. Niets ging zoals het hoort, zou moeten en zou kunnen. Niet die nacht, niet de dagen, de weken en de maanden die volgden.

Je zou willen dat ik ruim verder gegaan was met mijn leven en de mooie herinneringen waren overgebleven. Dat ik aan de leuke dingen zou denken op je sterfdag. Ik ben al heel ver gekomen. Maar deze dagen lukt het nog niet de leuke herinneringen de boventoon te laten voeren. Daarvoor was jouw dood te intens. Is er in mij die nacht teveel kapot gegaan. Je zou het wel begrijpen denk ik.

Ik hou van jou

Comments (3)



Hartenkreten van mijn vader

Twee weken na zijn dood vond ik de langste, een hartenkreet die hij niet had gepubliceerd en zelfs mij niet had laten lezen toen hij zijn pijn in 2003 aan papier toe vertrouwde. Hij gaf aan zichzelf toe dat ik gelijk had gehad, dat hij eigenlijk niet wilde leven zonder mijn moeder.  Dat hij wel had geprobeerd een natuurlijke dood te forceren. En vertelde aan papier dat hij bleef leven omdat hij haar had beloofd mij niet te verlaten.

Zondag vier januari 2009 om even over elf uur ‘s avonds is mijn vader alsnog uit het leven gestapt. Omdat hij ernstig ziek was. Geen kwaliteit van leven meer had. Er alleen nog maar pijn was. Omdat hij bang was dat ik maanden later over hem zou moeten beslissen en hij me dat moment wilde besparen. Opdat het zijn beslissing kon zijn, zonder toestemming te hoeven vragen aan wildvreemden. Zodat hij het kon doen op een wijze die hem al jarenlang mateloos fascineerde. Om zichzelf heel veel meer ellende te besparen. En omdat de pijn van mijn moeders dood en haar zo verschrikkelijk missen, alleen maar groter geworden was.

Die ene hartenkreet die me door mijn ziel heeft gesneden, mocht ik niet van hem delen en houd ik ook liever voor mijzelf. Er zijn vijf andere hartenkreten die hij zelfs eens heeft gepubliceerd. Toen vond hij het fijn dat mensen ze wilden lezen en er reacties op gaven. Vandaar dat ik ze deze nacht ook hier plaatst:

Foto

Nooit meer samen

Wachten op het einde

Mooie herinneringen

Stil in huis

 

Comments (3)



Hartenkreet van mijn vader: Stil in huis

Stil in huis

Lig in bed m’n ogen dicht
Als altijd zie ik je gezicht
Half vier, ik weet wat wacht
Het wordt weer een lange nacht

Zoveel wat ik nog zeggen wil
Maar naast me is het schreewend stil
Half vijf, het blijft maar malen
Je blijft maar door m’n hersens dwalen

Teveel gedachten in m’n kop
Kom, steek nog maar een peukje op
Half zes, ik zie je staan
En heel zacht raak ik je aan

Maar dan ben je er niet meer
Uit de dood keert niemand weer
Half zeven, zelfs geen ruis
Mijn god, wat is ’t stil in huis

Schrijver: PideNs, 13-08-2003

Comments (2)



Hartenkreet van mijn vader: Mooie herinneringen

Mooie herinneringen

De zomer haast voorbij
Nog een laatste dagje vrij
Camera en honden mee
Wij gaan lekker naar de zee

Eenmaal bij het strand gekomen
Begint de regen flink te stromen
Snel een winkel opgezocht
Wat plastic regengoed gekocht

Tot aan ons nek toe ingeregen
Kunnen we er wel tegen
Inmiddels neemt de wind flink aan
Echt een dagje om naar zee te gaan

De golven beuken op het strand
Dicht tegen elkaar, hand in hand
De honden rennen als een gek
Het water druipt ons in de nek

Die regenjas die kan me wat
We zijn al tot ons huid toe nat
Wat we daarna hebben gedaan
Dat gaat geen sterveling wat aan

Eenzame visboer, heel alleen
Extra portie voor iedereen
Natte auto, laatste zoen
Zou ’t graag over willen doen

Schrijver: PideNs, 08-08-2003

Comments (0)



Hartenkreet van mijn vader: Wachten op het einde

Wachten op het einde

De beslissing is genomen
De familie langs gekomen
Voor iedereen een laatste groet
Je bent een reus, als je dat doet

Daarbij voel ik me heel klein
Jij ondergaat toch allle pijn
Het infuus wordt ingebracht
En ik zie nog hoe je lacht

De dood is welkom. al te waar
Het leven word je nu te zwaar
Laat de morfine nu maar stromen
En de rust over je komen

Ik hou je veilig in m’n armen
Wou dat ik je echt kon verwarmen
Maar voor jou hoeft ’t niet meer
Kijk je aan, de laatste keer?

Het laatste uur, alleen voor mij
Je bent er gelukkig niet meer bij
Opeens hoor ik je adem stilstaan
Je hebt het eindelijk laten gaan

Schrijver: PideNs, 06-08-2003

Comments (0)



Page 1 of 4

Powered by WordPress & theme based on Lovecraft