Geen idee meer wat ik aan het doen was het einde van de gymles op de basisschool, gekke bokkensprongen maken zeker. In ieder geval klapte mijn knie een kant op die een knie niet hoort te gaan. Ik viel, het deed veel pijn en ik had moeite nog rechtop te komen. Een vriendinnetje schrok. De gymjuf had echter dezelfde instructies gehad als velen in mijn omgeving: wat er ook gebeurt, er is heus niets aan de hand. Dus kwam juf niet eens even kijken maar riep over afstand dat ik het er maar af moest lopen. Wat ik zo goed en kwaad als het kon probeerde.
Die middag liep ik in de klas rond toen mijn knie het begaf en ik in elkaar zakte. De juf werd boos maar hoewel ik veel kon verbijten, kon ik nu gewoon niet meer zelf rechtop komen. Eenmaal rechtop geholpen bleek ik niet meer op het been met de getroffen knie te kunnen staan. In plaats van een dokter naar school te halen – iets wat voor andere kinderen met ongelukken wel gebeurde – werd mijn moeder gebeld. Die was al over de zeik dat ze met de metro en tram naar school toe moest komen, ze kreeg nog meer de pest in toen bleek dat ik geen stap kon verzetten en we met een dure taxi naar het ziekenhuis moesten.
In het ziekenhuis bleek dat eerder op de dag mijn kruisbanden een klein stukje waren ingescheurd. Omdat ik er op doorgelopen was, waren ze in de middag plots bijna helemaal doorgescheurd. Zorgverleners deden nogal sacherijnig tegen me. Blijkbaar heerste het zonderlinge idee dat het mijn eigen schuld was omdat ik stupide en met misplaatste stoerheid doorgelopen zou zijn met pijn en zwakte. Geen idee of dat ook de reden was dat ik – wat toen gebruikelijk was – geen krukken mee kreeg. Mijn moeder was inmiddels ronduit boos, snauwde dat ze niet nog een taxi ging betalen en ik maar naar de bus moest hinkelen.
Met letterlijk veel pijn en moeite zijn we thuis aan gekomen. Ik mocht het been met de getroffen knie absoluut niet meer gebruiken maar alleen met het been omhoog zitten en liggen. Zou ik het been gebruiken, was het risico levensgroot dat de kruisbanden dan geheel af zouden scheuren en ik onder het mes moest of zo was mij dreigend toegesnauwd. Mijn moeder kookte lekker, bracht snacks mee en leuke tijdschriften en boekjes maar ze zat ook al dicht tegen een crisis door een stapel psychische problemen en een post traumatische stress stoornis aan. Ze was bovendien niet bestand tegen zieke mensen. Er mocht niemand op visite komen, ik mocht niemand bellen en zo zat ik zes weken met een brok snauwende chagrijn opgescheept waar ik een beetje bang voor was.
Wel heel lief, een klas van een school dichtbij waar ik korte tijd op had gezeten, had gehoord wat er gebeurd was. En ik kreeg een mooie kaart en een stapel briefjes met lieve wensen van alle voormalig klasgenootjes. Ik was twaalf en heb zitten huilen van zoveel onverwachtse liefde.
Toch begon toen het gevoel wat nadien alleen maar verder versterkt zou worden. Blijkbaar zag de wereld iedereen hetzelfde behalve mij. Had iedereen bij het minste of geringste al recht op gezien worden, steun, troost, zorg en hulp maar ik niet. Naar mij werd niet gekeken, voor mij werd geen dokter gebeld, aan mij werden geen hulpmiddelen als krukken verstrekt. Ik zocht het maar uit. Bij mij was ongeluk en ziekte – in tegenstelling tot voor anderen – mijn eigen schuld. Het was blijkbaar normaal om mij af te snauwen, boos op me te worden, me verwijten te maken en me niet te omringen met warmte maar met kille ergernis en chagrijn. Ik had geen idee waarom dat was, wat er verkeerd aan me was dat mensen me zo bejegenden. Te meer niet omdat ik een vrolijk en opgewekt kind was, ik makkelijk vriendjes en vriendinnetjes maakte en zowel kinderen als volwassenen me meestal leuk leken te vinden. Behalve dan als er iets met me was, ik pijn had of ziek was. Dan was ik plots geen onderdeel van de groep meer maar leefde tussen de anderen in een strafhokje met onzichtbare wanden.
Eigenlijk begrijp ik het ruim veertig jaar later nog steeds niet.