Eind 2002 kreeg ik door middel van bevolkingsonderzoek te horen dat ik voorstadium baarmoederhalskanker had. En waar mijn angstige aangeven in die richting al vijf jaar door elke arts was genegeerd, vielen nu de woorden ‘ernstig’, ‘spoed’ en ‘morgenochtend een afspraak bij de gynaecoloog’. Een lisexcisie volgde, de uitslag daarvan zowel beroerd als lullig. Beroerd omdat het al op het randje van kanker zat. Lullig omdat het om langzaamgroeiende cellen ging waar ik zeker tien jaar of langer mee rond wandelde. Gynaecoloog als ik besloten dat mijn toenmalige huisarts een onnoemelijke lul was.
Een conisatie volgde en ik had geluk, daarmee kon alles in een keer worden weggehaald. Poliklinisch, een behandeling bij de tandarts duurt doorgaans langer. Eigenlijk waren de slopende zenuwen bij voorbaat (hee, ze gaan in je baarmoeder snijden terwijl je wakker zit te wezen hé) en de zes weken geen sex daarna het vervelendst. De gynaecoloog was laaiend enthousiast over zijn kunststukje.
Gek genoeg had ik toen op geen enkele manier het idee dat het echt verkeerd zou kunnen aflopen. Was ik voornamelijk kwaad en verdrietig dat dit een absoluut klote jaar compleet maakte en nog woester dat ik eerder niet serieus was genomen. Het idee ‘ik had er wel aan dood kunnen gaan’ ook al was ik nog niet eens geopereerd.
Hoe anders was dat nu. Totaal gestressed zat ik gapend in de wachtkamer voor mijn laatste checkup. Want zou dit uitstrijkje weer goed zijn, dan was ik er écht vanaf. Dan werd het ‘genezen’ verklaard en dat voelde plots waanzinnig belangrijk! Ik begreep gewoonweg niet dat niet iedereen met mij rijkhalsend naar de dag van de uitslag uitkeek. Tussendoor sloeg de twijfel toe of toeval me niet een loer zou draaien. Op de valreep terug naar af met absurd genoeg nu wel de angst voor doemscenario’s.
Het zal wel een vertraagde reactie zijn geweest ofzo en tja, mijn bedrading heeft wel vaker storing. Natuurlijk was de uitslag zoals iedereen verwachtte .. prima in orde!